Brandalarm

23/10/2026

We zijn net terug van een etentje met vrienden en gaan nog even rustig op de bank zitten. Die rust is van korte duur want plotseling loeit het alarm. We springen gelijktijdig op en rennen naar de gang om op het schermpje van het alarmsysteem te gaan kijken of er ingebroken wordt dan wel ergens een kamer in de fik staat. Het is het laatste. ‘Brand op zolder’ staat er.
In de looppas vier trappen op om daar te constateren dat het vals alarm is. Alweer, het is niet de eerste keer. Intussen heeft de beveiligingsfirma ons al gebeld en leggen we uit dat de rookmelder het weer eens op zijn heupen heeft. We rukken het onding van het plafond en springen er een paar keer woedend met onze hakken op. Nee, dat niet. We zijn een vol uur bezig om te bestuderen hoe we de melder van het plafond krijgen en vervolgens hoe we in godsnaam de batterij eruit moeten halen. Hoera voor YouTube.
’s Nachts in bed vraag ik me af wat ik zou doen als ik alleen thuis zou zijn en het oorverdovende alarm middenin de nacht afgaat. Misschien moet ik even nadenken voordat ik onverschrokken naar beneden storm. Stel dat het een gewelddadige inbreker is, dan kan ik beter klappertandend onder mijn bed gaan liggen of via de regenpijp naar beneden klimmen en op de vlucht slaan.
Vals brandalarm achtervolgt ons. Toen we vorig jaar in een hotel in Amerika waren ging ook middenin de nacht het alarm af. Door een luidspreker klonk een gierende sirene en een blikkerige stem die vertelde dat er brand was en dat iedereen onmiddellijk het gebouw moest verlaten. Ik schoot snel in mijn spijkerbroek, want ik zag me al in mijn half blote tralala buiten staan kleumen.
Op de gang voegden we in bij een groepje rennende mensen, de meesten wel in pyjama. Iets verderop stond een medewerker van het hotel ons ongeduldig te wenken en wees naar een deur rechts van hem en rende toen weg om een volgende groep ontheemden te gaan redden. De voorste hotelgast duwde de deur open en we volgden in de veronderstelling dat we op weg waren naar de nooduitgang. Het was de linnenkamer. Op een kluitje stonden we verbaasd om ons heen te kijken tot we weer via de luidspreker aangespoord werden het gebouw onmiddellijk te verlaten.
Wat volgde was een halve marathon door de vele gangen van het Hilton om uiteindelijk buiten adem in de parkeergarage uit te komen. Een werknemer stond tegen een pilaar geleund op zijn gemak een sigaretje te roken.
‘Daar in de hoek is de trap naar buiten,’ knikte hij.
We keken hem argwanend aan. Als het hotel boven je hoofd in de hens staat, wat sta je hier dan te doen? Op het grasveld voor het gebouw stond een bonte verzameling hotelgasten in nachtkleding. Al snel kwam de mededeling dat het vals alarm was.
‘Helaas moeten we op de brandweer wachten voordat we de omroepinstallatie kunnen uitschakelen.’
Geen brandweerauto te bekennen.
Terug in bed lagen we een half uur te luisteren naar de robot die ons nog steeds op luide toon sommeerde het pand onmiddellijk te verlaten.
Zuchtend gingen we uiteindelijk op de rand van ons bed zitten. ‘Zou de hotelbar open zijn?’