Gebalde vuisten

06/11/2015

Ik lig in de tandartsstoel met mijn mond open. Wagenwijd, want de tandarts gaat de krakkemikkige vulling van mijn allerlaatste kies vervangen.
Vroeger wilde hij nog weleens eerst een verdovinkje geven, maar nu begint hij meteen met zijn klopboor. En zijn drilboor. En dat boortje dat zo snerpend hoog je trommelvlies teistert en je hele gezicht natsproeit. Het hele arsenaal martelwerktuigen wordt gebruikt en ik lig daar maar in stilte te lijden.
Mijn handen liggen op mijn buik. Op het moment dat het voelt alsof de boor er aan de onderkant van mijn kin weer uitkomt draai ik mijn handen met de palmen omhoog en spreid mijn vingers. Waarom doe ik dat?
Hoe kan ik mijn handen zo rustig, ja zelfs ontspannen op mijn buik laten rusten, terwijl een dolle tandarts hardhandig mijn gebit aan het verbouwen is?
Wil ik mijn bezwete handen afkoelen? Of geef ik me over?
Ik ga erover liggen nadenken. Is het zo dat ik als ik aangevallen word me meteen overgeef? Waarom lig ik er niet met gebalde vuisten, klaar om de man een linkse hoek te geven?
Wat zegt dit over mezelf? Het is een filosofisch vraagstuk dat me de rest van de behandeling bezighoudt.
Kom ik wel genoeg voor mezelf op? Je moet altijd voor jezelf opkomen, een ander doet het niet. ‘Laat maar’ denk ik vaak, misschien moet ik die ‘laat maar’ mentaliteit eens veranderen. Om te beginnen hier en nu bij deze tandarts:
“Hé lul, als je van plan was een gat van 3 cm doorsnede in mijn kies te boren, had je wel even een shotje verdoving mogen geven.”
Ik lig net te fantaseren hoe ik alle slangetjes en borrelende slurpjes uit mijn mond trek en plotseling rechtop ga zitten, zodat zijn tafeltje omhoogklapt en zijn instrumenten op de grond kletteren, als hij zegt: “Klaar!”
Klaar? Verbouwereerd ga ik rechtop zitten. Mijn handen hebben zich intussen wel tot vuisten gebald, ik kan hem dus alsnog een stomp tussen zijn ogen geven, maar dan hoor ik mezelf vriendelijk zeggen: “Dat viel mee.”
Het viel mee vanaf het moment dat ik ging liggen nadenken over mijn weerloos geopende handen. Als ik de praktijk uitloop ben ik blij met mijn mooie witte vulling. Maar ik heb er wel weer een existentialistisch vraagstuk bij: heb ik genoeg vechtlust?