Sinterklaasverhaal

02.12.2016

De opluchting dat ze niet meer hoefde te werken maakte al snel plaats voor een gevoel van onbehagen. Ze was haar bestaansreden kwijt en begon steeds vaker na te denken over de zin van het leven. De zin van het vroeg opstaan in de morgen. Nu dat allemaal niet meer hoefde miste ze de struktuur die haar baan haar geboden had.
‘Word geen kluizenaar,’ had haar baas in zijn afscheidsrede gezegd.
‘En geen Ma Flodder,’ had een collega daaraan toegevoegd.
Ze had hun woorden lachend weggewuifd, maar ze wist dat er een kern van waarheid in hun opmerkingen school. Ze was altijd graag alleen geweest, maar nu gingen er dagen voorbij dat ze niemand sprak.
In een opwelling pakt ze haar sleutels en portemonnee en loopt de deur uit. Naar buiten, de wereld in. Ze neemt zich voor minstens één keer per dag een wandeling te maken en te proberen een praatje aan te knopen met wie dan ook.
Het is mistig en kouder dan ze verwacht had. Ze klemt haar vingers om de sleutelbos in haar jaszak en aarzelt. Waar zal ze heen gaan? Misschien is dit een zinloze actie en kan ze beter even snel wat boodschappen doen en meteen weer veilig terug naar huis.
Ze vermant zich en loopt langzaam de straat uit. Aan de rand van het Smilde, een troosteloos driehoekig plein, stopt ze en kijkt om zich heen. Een dampige nevel hangt laag boven de nat glimmende keitjes, de fijne regendruppeltjes huppelen in het schijnsel van de autolichten aan de overkant. Het is stil op straat, een enkel iemand loopt ineengedoken dicht tegen de gevels voorbij.
En nu? Wat had ze zich ook alweer voorgenomen? Een praatje. Maar met wie in godsnaam, iedereen lijkt haast te hebben en niemand let op haar.
In gedachte verzonken begint ze diagonaal het plein over te steken, richting winkels aan de overkant. Halverwege ziet ze dat ze niet het enige levende wezen op het plein is. Aan de rechterkant staat een man in een oranje hesje bruine bladeren uit de perkjes te harken. Een klein autootje van de plantsoenendienst staat iets verderop geparkeerd. In het voorbijgaan werpt ze een schattende blik op de aanhanger, het ziet er niet naar uit dat de rest van de bladeren erbij kunnen.
‘Koud hè,’ zegt ze als de man haar toevallig even aankijkt.
Ze blijft staan. Hij is gestopt met werken en leunt op zijn hark.
‘Vier jij Sinterklaas?’ vraagt hij.
Ze is even van slag door die onverwachte vraag.
‘Ik ben maar alleen, dus nee ik doe niet aan Sinterklaas.’
‘Ik ook niet.’
Hij draait zich om en gaat weer verder met harken.
Ze staart naar zijn rug en denkt na. Dit kan toch niet het praatje zijn. Hij heeft haar een verrassende vraag gesteld, dit is een fantastisch aanknopingspunt voor een verder gesprek.
Ze opent haar mond. En sluit ‘m weer op het moment dat de man een paar meter verder het perk inloopt.
‘Ik zou graag….’
Hij hoort haar niet, het geluid van de voorbijrijdende auto’s op het natte wegdek overstemt haar woorden. Ze aarzelt en steekt dan de straat over naar de warme supermarkt.
Er klinken Sinterklaasliedjes, dat was haar nog niet eerder opgevallen.
Ze loopt met haar lege winkelmandje langs de schappen en stopt bij een kartonnen standaard met Sinterklaassnoep. Even denkt ze na en kiest dan een chocoladeletter.
Opeens heeft ze haast. Ze rekent af en gaat in looppas weer naar buiten en steekt de straat over.
De man staat de natte bruine hersftbladeren in zijn aanhanger te scheppen.
‘Alsjeblieft.’
Hij pakt haar cadeautje aan en kijkt met gebogen hoofd naar de chocoladeletter in zijn handen. Grote handen zijn het, met vies omrande nagels.
Ze moet iets zeggen om de stilte te verbreken.
‘Het is een P. De P van Plantsoenendienst.’